LIED van PASEN

Dat gij zijt opgestaan en dat u Petrus zag,
dat zegt mij niet het openbreken
van de knoppen en niet de merelzang in populierentoppen,
dat zegt mij niet het stralen van de lentedag.

Het is het jongvee niet dat struikelt in de velden,
noch is het koele wind die door mijn haren strijkt
of 't schuchter bloesemkleed waarmee de bogerd prijkt,
zij zijn het niet Heer, die Uw opstanding vermelden.

Zij kondigen Uw lof, zij zingen U ten prijs:
dat Gij Uw aarde opnieuw de vreugde geeft
van beginnen, maar Pasen is mij niet een feest van louter zinnen:
Uw komst vanuit de dood
zingt mij een andere wijs.

Een lied van binnenuit,
niet eerder nog gehoord,
soms uit een rouwend hart of een gebroken leven,
maar ook de juichkreet van zich
gans te mogen geven en
altijd samenklinkend tot één slotakkoord:
de Heer is opgestaan!

Hij houdt mijn handen beide en
gaat met mij door rouw, door vreugde en door schuld en
voegt naar mij zijn tred in mateloos geduld
tot Hij mij voeren zal naar koele, groene weide.

Dit is het lied van Pasen:
al gaan wij door het dal van verschrikking en
al blakert vuur de bloesem en
staat aan onze lippen de beker met de droesem
van eigen brouwsel-
Hij was, Hij is, Hij zal!

Jacoba Margaretha van Walsum-Quispel
(1901-1970)


Plaats een reactie: